Het coalitieakkoord: Birch reflecteert

maart 18, 2026

Voor welke uitdagingen staat het nieuwe kabinet?

Meer informatie

Danny Honigh

Partner & Managing Consultant

Het jaar 2026 is gestart met een nieuw kabinet – en tegelijkertijd met uitdagende internationale spanningen en verhoudingen. Deze dringen ook door in Nederland. Het kabinet kiest een heldere inzet, die we herkennen en aansluit bij wat vorig jaar al in gang is gezet. In deze blog bespreken we de highlights die ons opvallen in het akkoord.

Wennink rapport en groeimarkten rapport

Beide dossiers gaan in op de toekomstige route voor de Nederlandse economie. Hoe behouden we onze welvaart en strategische economie? En via welke route zorgen we voor een stabiele economische groei om zo ook de voorzieningen in Nederland te kunnen betalen? Het rapport van Wennink gaat specifiek in op de urgentie van randvoorwaarden om onze economie toekomstbestendig te houden, terwijl er tegelijkertijd aandacht is voor hoe Nederland stabiele economische groei kan realiseren. Het rapport van groeimarkten geeft inzichten in waar we structurele marktpositie en belang hebben, wat van belang is voor onze strategische autonomie. Het aankomende kabinet staat hiermee voor bijzondere keuzes. Waar jarenlang problemen zijn opgestapeld, zien we nu tal van rapporten voorbijkomen over hoe we verder zouden moeten komen. De grootste uitdaging hierbij is vooral kiezen wat we niét meer gaan doen. Waar zetten we in tijden van schaarste onze arbeid, energie, grondstoffen en ruimte voor in?

Het coalitieakkoord laat zien dat de adviezen uit het Rapport Wennink in acht worden genomen. De randvoorwaarden krijgen specifiek aandacht, zo wordt er ingezet op voorspelbaarheid in het vestigingsklimaat door bestaande regelingen niet verder te versoberen of aan te passen. Daarnaast wordt er ingezet op de randvoorwaarden, zoals beschikbaar kapitaal en is het kabinet voornemens om vergunningverlening voor bedrijven te versnellen om zo meer investeringen uit het bedrijfsleven uit te lokken. De prioritaire focus in het industriebeleid sluit aan op de geïdentificeerde kansen uit het Rapport Wennink.

Ambitieus ondernemerschap heeft een prominente plek in dit coalitieakkoord. Er wordt een ecosysteem-benadering toegepast om het Nederlandse ecosysteem voor ondernemerschap en innovatie te versterken. Startups en scale-ups krijgen aandacht, waar o.a. het doorzetten van plannen rondom medewerkersparticipatie en aandelenopties terug zijn te vinden om toegang tot (en behoud van) talent te versterken. Voor innovatief ondernemerschap zien we specifiek dat er geld beschikbaar komt via een nieuwe nationale investeringsbank, een Nederlandse variant van DARPA, een intensivering van de WBSO om generiek innovatie te stimuleren, de overheid als launching customer en inzet op het versterken van valorisatie via één nationale Technology Transfer Office. Dat er ook regionaal aandacht is voor ecosystemen is terug te zien in het structurele geld dat wordt vrijgemaakt voor Innovatie Regionale Campussen. Hier is specifiek aandacht voor de regionale inbedding van de NTS en het versterken van regionale innovatieclusters (bijvoorbeeld via het Regionaal Versterkingsplan). Opvallend is ook de terugkeer van een groeifondsvariant onder de constructie van de nieuwe investeringsbank, die anders dan het groeifonds nu moet opereren onder marktconforme financieringsvoorwaarden.

Ook in de organisatie van de arbeidsmarkt zijn er veranderingen. Alle arbeidsmarktregio’s krijgen één regionaal centraal werkcentrum, een hervorming die publiek-private samenwerking moet versterken. Deze visie en centrale werkcentra zijn al concrete veranderingen om in te spelen op de schaarste van talent, en dus ook om te kiezen wáár kansrijke banen voor de toekomst zitten en welke mogelijk gaan verdwijnen. Er komt structureel geld vrij voor Leven Lang Ontwikkelen in het coalitieakkoord. De inzet op prioritaire waardeketens en technologieën betekent ook een vraag naar specifiek beschikbaar talent. Voor de arbeidsmarkt biedt dit uitdagingen met betrekking tot verdwijnende banen, maar óók op kansrijke banen. Is er voldoende talent beschikbaar om de beoogde groei en focus te faciliteren?

Het kabinet kiest met dit coalitieakkoord voor een plan, waarin de komende jaren méér voorspelbaarheid en zekerheid voor ondernemers moet worden ingebouwd. Tegelijkertijd is er stimulans voor ambitieus ondernemerschap en disruptieve innovatie, waardoor ook bestaande bedrijven mee zullen moeten ontwikkelen in de nieuwe economie. Het geld wat vrijkomt nationaal (en voor regio’s) betekent dat er kansen zijn voor regio’s. Er is véél aandacht voor de verdere uitwerking van de Nationale Sleuteltechnologie en het Regionaal Versterkingsplan zorgt voor een transitie, waarin traditionele sectorstructuren naar de achtergrond verdwijnen en belangrijke waardeketens en bijbehorende technologieën centraal komen te staan. Voor regio’s is het van belang om zicht te krijgen op je bestaande krachten in dit nieuwe licht, welke waardeketens zijn sterk? Wat is de staat van je regionale ecosysteem? Welke technologie wordt toegepast of ontwikkeld in je regio? Belangrijke elementen om aansluiting te vinden met nationaal beleid.

Agendapunten

Dit kabinet is voor het eerst een minderheidskabinet. Dat betekent dat ze in overleg moeten met andere partijen én met partijen uit de samenleving. Interessant is dat in dit land sociale partners (werkgevers en werknemers) wel een overlegstructuur hebben met de SER, maar op de as bedrijfsleven en kennisinstellingen bestaat zo’n formeel orgaan dat kan spreken namens achterbannen (nog) niet.

Waar het overleg ook plaatsvindt, wij zien nog wel enkele agendapunten:

Niet in het coalitieakkoord. Over agenda gesproken. Dit kabinet benadrukt terecht de geopolitieke onzekerheid. De afgelopen zes jaar werd de economische agenda van het kabinet drie keer geraakt door onverwachte gebeurtenissen. Zoals in 2022 de oorlog in Oekraïne met alle gevolgen op economisch terrein voor de energieprijzen. In 2024 was het de noodzaak om snel te reageren op de locatie-afweging van ASML, wat binnen enkele weken leidde tot een publieke investering van 2,5 miljard in Beethoven. De paradox is dat een deel van de punten die op de agenda van het nieuwe kabinet zullen staan, niet in het coalitieakkoord staan, maar wel een beroep gaan doen op verzamelende besluitkracht en publieke en private middelen.

Groeifonds. De Commissie Wennink ziet 51 kansrijke investeringsvoorstellen die opgeteld een begroting hebben van 126 miljard, waarvan zo’n 38 miljard publiek gefinancierd zou moeten worden. Dat is al meer dan de 25 miljard van het eerste Groeifonds uit 2020. Dit kabinet komt met het tweede Groeifonds, noemt geen bedrag, maar koppelt het Groeifonds aan de Nationale investeringsinstelling met een beoogde omvang van 3 á 5 miljard, waardoor het Groeifonds alleen beschikbaar is voor revolverende investeringen (we zien in de begroting van het kabinet geen reguliere uitgaven voor het Groeifonds). Er ligt nog een groot gat tussen ambities, plannen en middelen en er zullen routes moeten komen om de beste plannen te kunnen selecteren. Een kabinet zou meer slagkracht kunnen krijgen als het Groeifonds ook niet-revolverende middelen zou krijgen.

Arbeidsproductiviteit. Investeringen in innovatie zijn nodig om de productiviteit noodzakelijkerwijs te vergroten – maar op korte termijn doen ze wel een beroep op menselijke kapitaal. Het woord productiviteit wordt een drie keer genoemd in het coalitieakkoord, maar is een essentiëler sleutelwoord voor het succes van de kabinetsplannen dan dat bescheiden aantal suggereert. En daar kan het kabinet gelijk mee beginnen. Het kan via de Human Capitalagenda’s die zichzelf vernieuwen met arbeidsproductiviteit op de agenda. Het kan via de vele PPS-en die aan de slag kunnen blijven, in ieder geval in het mbo, met het RIF. Interessant is dat dat ook kan met sociale partners, die via SER, branches, vakbonden en O&O fondsen en andere bedrijfstakinstituten, in verbinding staat met de overgrote meerderheid van de bedrijven. Deze overlegtafel is in ieder geval te benutten.

Toenemend belang regio’s. Regionale uitdagingen vragen om regionale oplossingen. Het kabinet constateert dat verdergaande specialisatie en versterking van regionale ecosystemen nodig is om onze innovatiekracht te benutten en arbeidsproductiviteit te vergroten. Per regio speelt deze opgave tegen een achtergrond van uitdagingen op het gebied van voldoende ruimte voor werk, netcongestie en schaars talent. Het kabinet stelt jaarlijks 100 mln ter beschikking voor regionale innovatiecampussen en stelt als doel om meer EU middelen voor innovatieprogramma’s aan te trekken. Waar EU subsidieprogramma’s, zoals EFRO, tot op heden per regio worden uitgezet, gaat dit in 2028 hoogstwaarschijnlijk verdeeld worden per lidstaat. Regio’s kunnen zich hier samen met het Rijk op voorbereiden. Inzicht in (innovatie)kracht, strategische agendavorming en voorbereiden van investeringsproposities zijn relevante stappen.